MS Gateway - The Multiple Sclerosis Gateway

Start :: Service :: Woordenlijst

A - Z MS Woordenlijst



A

Achterste hersenen
Het deel van de hersenen dat de pons, het merg en de kleine hersenen omvat. De functies omvatten het coördineren van de beweging, houding, evenwicht en slaappatronen en reguleren van onbewuste maar essentiële functies, zoals ademhaling en bloedsomloop.
Acuut
Met een kort en relatief ernstig verloop
Adductoren
Spieren die een lichaamsdeel naar het lichaam toe bewegen
Afasie
Een defect of verlies van de mogelijkheid tot spreken of schrijven en verlies van de mogelijkheid om geschreven of gesproken taal te begrijpen, te wijten aan een kwetsuur of ziekte van de hersencentra.
Agonist
Een geneesmiddel dat fysiologische activiteit stimuleert ter hoogte van de celreceptoren en dus een biochemische respons uitlokt.
Allelen
Een van een serie of twee of meer verschillende genen die dezelfde plaats (locus) op een chromosoom innemen
Aminozuur
Elk zuur dat een aminogroep bevat, bestaande uit stikstof gecombineerd met waterstof. De alfa-aminozuren zijn de bouwstenen van alle eiwitten.
Anatomisch
Betrekking hebbend op de lichaamsstructuur
Antagonist
Een stof die de actie van een andere stof annuleert, zoals een geneesmiddel dat aan een celreceptor bindt zonder een biologische antwoord uit te lokken.
Antibioticum
Een chemische stof geproduceerd door een micro-organisme dat de groei van andere micro-organismen kan afremmen of hen doden.
Anticholinergeen
Een stof die parasympathische zenuwen blokkeert.
Antigen
Een molecule die de aanmaak van een antlichaam uitlokt.
Antilichaam
Een Y-vormig eitwit dat uitgescheiden wordt door cellen van het afweersysteem; ook wel immunoglobuline genoemd. Elk antilichaam is specifiek voor een bepaald antigen (stof die een afweer kan uitlokken) en kan het effect van het antigen tegengaan.
Asymptomatisch
Zonder symptomen te veroorzaken.
Ataxisch
Met slechte bewegingscoördinatie
Atoom
De kleinste eenheid van een chemisch element, bestaande uit een positief geladen kern met protonen en neutronen, omgeven door een wolk van elektronen. Een atoom is zo klein dat één enkele waterdruppel meer dan een miljoen miljoen miljard atomen kan bevatten.
Atrofie
Verkleining of afsterven van een cel, weefsel of orgaan.
Autoimmuun
Toestand waarbij het afweersysteem van een persoon tegen zijn of haar eigen weefsels begint te reageren.
Autonoom zenuwstelsel (AZS)
Neuronen (zenuwcellen) die niet bewust controleerbaar zijn. Het centrale zenuwstelsel bestaat uit twee componenten: de parasympatische en sympatische zenuwsystemen. Het sympatische systeem verhoogt de hartslag, vernauwt bloedvaten en verhoogt de bloeddruk. Het parasympatische systeem vertraagt de hartslag, verhoogt darm- en klieractiviteit en ontspant sluitspieren.
Axon
Het lange, draadvormige deel van een zenuwcel dat van het cellichaam uitstrekt. Het axon is gespecialiseerd in de signaaloverdracht. Op het einde van het axon worden de zenuwprikkels doorgegeven aan andere axonen of organen en spieren.


B

Barbituraten
Een klasse van chemische producten waartoe verdovingsmiddelen, hypnotica, kalmeringsmiddelen en middelen tegen braken behoren.
Base
Een alkalische molecule die kan combineren met een zure molecule. Adenine, thymine, guanine en cytosine zijn stikstofbasen, ze bevatten dus een stikstofatoom.
B-cellen
Een type lymfocyt normaal betrokken bij de productie van antilichamen om een infectie te bestrijden. Het is de voorloper van een plasmacel. Tijdens infecties verveelvuldigen individuele B-cellen zich in exacte kopies, gaan over in een andere vorm, de plasmacellen en produceren grote hoeveelheden antilichaam tegen een specifiek antigen of een vreemde microbe. Deze transformatie (overgang naar de andere vorm) gebeurt na interactie met de gepaste T-helper cellen.
Benigne MS
Of goedaardige MS: wordt gekenmerkt door twee of meer aanvallen met remissie, gevolgd door volledig herstel en geen of weinig toename in handicap. De aanvallen kunnen jaren uiteen liggen wat de diagnose bemoeilijkt. Ongeveer 25% van alle mensen met MS heeft benigne MS. Sommige mensen met goedaardige MS gaan uiteindelijk over in een progressieve fase. Benigne MS is één van de vier types MS, naast primair progressieve, relapsing-remitting en secundair progressieve MS.
Benzodiazepines
Een geneesmiddel tegen o.a. angst.
Beta-blockers
Een grote groep geneesmiddelen die specifieke receptoren in het zenuwstelsel blokkeert. Hun effecten omvatten verlaging van de hartslag, verlaging van de bloeddruk en verminderde angstgevoelens.
Biologische activiteit
De mogelijkheid van een molecule om een biologische verandering te veroorzaken.
Biologische beschikbaarheid
Beschikbaarheid van een geneesmiddel voor het lichaam in een vorm die door de cellen kan gebruikt worden.
Blind(e test)
In geval van het testen van de betrouwbaarheid en geldigheid van EDSS, krijgt de klinisch medewerker de vorige testresultaten niet te zijn, om zo volledig objectief te blijven tijdens de test.
Bolus
Een bepaalde hoeveelheid geneesmiddel.


C

Centraal zenuwstelsel (CZS)
De hersenen en het ruggemerg.
Centrifugatie
Cellen of ander materiaal in een toestel tegen zeer hoge snelheid laten ronddraaien zodat een centrifugale (of middelpuntsvliedende) kracht ontstaat, waardoor vloeistof en vaste deeltjes gescheiden worden naargelang hun gewicht of dichtheid; vergelijk met het drogen in een wasmachine .
Cerebrale cortex
Hersenschors: de buitenste laag van de grijze materie van de hersenen, ongeveer 2 mm dik, die het volledige oppervlak van de hersenhelften bedekt. De cortex bestaat uit neuronen (zenuwcellen) en ondersteunende cellen (gliacellen) en verzamelt informatie van allerlei bronnen om cognitieve functies te onderhouden (alle aspecten van waarneming, denken en geheugen).
Cerebrospinale vloeistof (CSF)
Of ruggemergvocht: vocht uit de holte van het ruggemerg en de hersenen dat het zenuwweefsel beschermt en voedt.
Chemische precipitatie
Neerslag van een eiwit uit een oplossing door verandering van de chemische samenstelling van de oplossing.
Chromatografie
Scheidingstechniek voor opgeloste stoffen, zoals eiwitten, DNA of RNA, door de verschillende afstand die ze afleggen op een oppervlak te wijten aan hun verschillende grootte of elektrische lading. Het scheiden bijvoorbeeld van de verschillende kleuren in zwarte inkt is een eenvoudige vorm van chromatografie waaraan de techniek haar naam ontleende (van het Grieks: chroma, kleur).
Chronisch
Over een langere periode
Chronisch progressief
Algemen term om zowel de primair als de secundair progressieve vorm van multiple sclerose te beschrijven.
Clonus
Zich snel herhalende samentrekking van een spier of spiergroep
Codon
Een opeenvolging van drie basen in het DNA, die voor een enkel aminozuur coderen.
Cognitieve functie
De geestelijke processen, waaronder perceptie, redeneringsvermogen, creativiteit, problemen kunnen oplossen en mogelijks intuïtie.
Contractuur
Blijvende samentrekking van een spier.
Contralateraal
Voorkomend op of samen met de andere kant van het lichaam, bijvoorbeeld: een pijnlijk gevoel op de andere kant van het lichaam dan de wonde.
Controlegroep
Een groep deelnemers aan een studie of experiment die als referentie gebruikt wordt. Ze moeten dezelfde kenmerken hebben als de groep onder studie. Dit kan door het willekeurig uitkiezen van de deelnemers.
Convergentie
Het elkaar naderen van de bliklijnen vóór de ogen.
Corticosteroïden
Stoffen afgescheiden door de bijnierschors. Ze worden onderverdeeld naargelang hun biologische activiteit.
Cultuur
Het opgroeien van micro-organismen of andere levende cellen.
Cytokines
Signaalmoleculen die de samenwerking tussen cellen bemiddelen. Bijvoorbeeld: interferonen (IFN’s), interleukines (IL’s).
Cytoplasma
De inhoud van een cel, uitgezonderd de kern.


D

Demyelinisering
Vernietiging, verwijdering of verlies van de myelinescheden rond zenuwen.
Depot
Een geneesmiddel onder de vorm van een olie-achtige stof waarvan de actieve stof traag vrijgesteld wordt na injectie.
Desoxyribonucleïnezuur (DNA)
DNA komt voor in de celkern en is verantwoordelijk voor het coderen van de genetische informatie in de genen. Het bestaat uit twee strengen nucleïnezuur die in een dubbele helix opgewonden zijn (vgl. gordijnkoord). Het DNA ontleent haar naam van de suikercomponent desoxyribose.
Differentiële diagnose
De herkenning van een bepaalde toestand of ziekte door vergelijking met anderen die gelijkenissen vertonen; vaak via een proces van eliminatie.
Distributie
In de geneeskunde wordt hiermee de aflevering van een geneesmiddel in het lichaam bedoeld via of de bloedbaan of de lymfe.
DNA ligase
Een bacteriaal enzyme dat DNA-stukken terug verlijmt in een lange keten.


E

E. coli
Een bacteriële stam, waarvan sommige soorten aanwezig zijn in het menselijke verteringsstelsel en bijdragen tot het goed functioneren ervan.
Electro-encefalogram
Een diagnostische test die de electrische activiteit van de hersenen meet.
Electroforese
Een techniek om eiwitten in een oplossing te scheiden. Omdat zulke moleculen een positieve of negatieve lading hebben zullen ze, bij blootstelling aan een elektrisch veld, met verschillende snelheid bewegen, afhankelijk van hun lading, vorm en grootte.
Endoplasmatisch reticulum
Een serie van gevouwen membranen, dicht bij de celkern, die verantwoordelijk zijn voor het verpakking van eiwitten in een mantel van koolwaterstoffen, een proces dat glycosylatie genoemd wordt.
Enzym
Een eiwit dat een biologische reactie kan versnellen (een organische katalysator). De meeste enzymes bevatten ook een reactief mineraal zoals ijzer, zink of koper.
Erfelijkheid
Het doorgeven van eigenschappen aan het nageslacht.
Etiologie
Leer van de oorzaken van een ziekte
Excretie
Uitscheiding van stoffen van het lichaam in urine, faeces of andere methoden.
Experimentele allergische encephalomyelitis
Een autoimmuunziekte die in verschillende proefdieren kan uitgelokt worden. Soms gebruikt als model voor demyeliniserende ziektes, hoewel dit model niet door iedereen gesteund wordt.
Extensor
Een spier die een lichaamsdeel kan strekken.


F

Factor VIII
Een bloedfactor betrokken bij bloedstolling. Een gebrek aan factor VIII leidt tot de stollingsziekte hemofilie. Dit kan overkomen worden door industrieel aangemaakte factor VIII.
Fagocytose
Proces waarbij de cellen materiaal omsluiten en opnemen in een vacuole (leeg blaasje) in hun cytoplasma.
Farmacodynamiek
De effecten van een geneesmiddel op het lichaam: wat doet het geneesmiddel met het lichaam? In tegenstelling tot de farmacokinetiek (‘wat doet het lichaam met het geneesmiddel?’).
Farmacokinetiek
De studie van de opname, verdeling, stofwisseling en uitscheiding van een geneesmiddel; oftewel: wat doet het lichaam met het geneesmiddel?
Fenotype
De uitdrukking van de gezamenlijke genen
Fermentatie
De groei van cellen op een industriële schaal.
Fibroblast
Een cel die in bindweefsel voorkomt.
Flexor
Een spier die een lichaamsdeel kan buigen.
Formulering
De bereiding van een geneesmiddel in de vorm waarin het therapeutisch kan toegediend worden.
Functioneel systeem
Functies van de hersenen, speciaal gedefineerd voor de EDSS-schaal.
Fysiologisch
Betreffende lichaamsfuncties


G

Geëvoceerde potentialen
Het gebruik van elektroden om de elektrische activiteit van zenuwen te meten.
Gen
Het erfelijk materiaal, opgebouwd uit DNA. Genen coderen voor eiwitten.
Genoom
De volledige set van alle genen die gedragen worden door een individu of cel.
Gliacel
Gespecialiseerde cel die de neuronen omvat en mechanische en fysieke steun geeft en zorgt voor de elektrische isolatie tussen de neuronen.
Glycosylatie
Het proces waarbij koolwaterstoffen aan een eiwit gekoppeld worden.
Grijze stof
Deel van de grote hersenen dat rijk is aan zenuwcellichamen en bloedvaten.
Groeihormoon
Een hormoon verantwoordelijk voor het stimuleren van normale groei. Een tekort hieraan leidt tot groeiproblemen zoals dwerggroei, dat kan verholpen worden door de injectie van recombinant groeihormoon.


H

Hartritmestoornissen
Een verstoring in de elektrische activiteit van het hart die duidelijk wordt door afwijkingen in hartslaf of ritme.
Hersenstam
Het verbindingsstuk tussen het ruggenmerg en de voorste hersenen. De hersenstam is een belangrijk wisselstation: elke zenuwprikkel die tussen de hersenen en het ruggenmerg loopt, moet door de hersenstam opdat het lichaam normaal zou functioneren.
Homogeen
Samengesteld uit gelijkaardige of identieke delen.


I

In vitro
In een proefbuis of een andere kunstmatige labo-omgeving.
In vivo
In een levend organisme.
Infusie
Vloeistof die in een ader (intraveneus) of een spier (intramusculair) gebracht wordt.
Insuline
Een hormoon dat de suikerconcentratie in het lichaam controleert. Gebrek eraan leidt tot diabetes. Insuline kan via genetische engineering aangemaakt worden.
Interleukines
Een groep moleculen die betrokken zijn bij het signaleren tussen cellen of cellen van het immuunsysteem.
Intrathecaal
Binnen een holte of schede, bijvoorbeeld: cerebrospinaal vocht zit binnen de dura mater. Het verwijst ook naar de geneesmiddelentoediening in het hersen/ruggenmergvocht.
Intraveneus
In een ader.
Ischemie
Een toestand van laag zuurstofgehalte, meestal te wijten aan een onvoldoende grote bloedtoevoer met arterieel bloed.


K

Kiemlijn
De opeenvolging van cellen in de lijn van directe afstamming van zygote tot gameet.
Kloneren
Een exacte kopie (kloon) maken.
Knoop van Ranvier
Een kleine onderbreking tussen twee opeenvolgende segmenten myeline.
Koolwaterstof
Een streng van suikereenheden die tot een keten verbonden zijn om een polysaccharide te vormen.
Kurtzke-schaal
Neurologische waardeschaal ontwikkeld door John Kurtzke in 1955 als de Disability Status Scale waarop de EDSS is gebaseerd.


L

Lateraal
Zijdelings
Lesie
Een stuk weefsel met verminderde functie ten gevolge van schade door ziekte of verwonding. Lesies bij MS zijn aanwezig in de hersenen en het ruggenmerg.
Locus
De plaats op een chromosoom waar het gen voor een bepaalde eigenschap is gelegen. Eender welk van de allelen van een gen kan aanwezig zijn op deze plaats.
Lumbaalpunctie
Een prik in het lagere gebied van het ruggenmerg of hersen/ruggenmergvocht te onttrekken.
Lymfocyten
Een belangrijke groep cellen uit het immuunsysteem, gevonden in het bloed, de lymfe en het lymfoïd systeem.
Lyse
Openbreken van celmembranen en verlies van cytoplasma.


M

Macrofagen
Gespecialiseerde cellen betrokken bij de fagocytose
Major histocompatibility complex (MHC)
De set van genloci die een set van celoppervlakte antigenen specifieert.
Meninges
Hersenvliezen; er zijn er drie: de buitenste laag is de dura mater, de middenste de pia mater en de binnenste de pia mater.
Metaboliet
Stof die het resultaat is van een stofwisselingsproduct.
Metaboliseren
Stoffen via chemische reacties in het lichaam afbreken.
Mictie
Het lozen van urine.
Monozygoot
Of ééneiig: identieke tweelingen die het resultaat zijn van een enkel bevruchte eicel (zygote), die in twee gesplitst is en waaruit twee individuen ontstaan. De tweelingen zijn genetisch identiek en altijd van hetzelfde geslacht.
Motorneuronen
Neuronen die bewegen controleren, willekeurig of onwillekeurig.
Multiple Sclerose
Een ziekte van de hersenen en het ruggenmerg, gekenmerkt door het verlies van of schade aan de myelineschede ronde zenuwen (demyelinisering). De demyelinisering kan verschillende vormen aannemen – van de grootte van een speldeprik tot een erwt. De symptomen hangen af van waar de plekken ontstaan.
Mutatie
Een permanente overdraagbare verandering in het genetisch materiaal, meestal in één enkel gen.
Myeline
Laag rond zenuwcellen die bescherming en isolatie biedt.
Myocardiaal infarct
Hartaanval


N

Necrose
Veranderingen van een cel die leiden tot de dood van de cel.
Neuritis optica
Ontsteking van de oogzenuw
Neurodegeneratieve ziektes
Ziektes gekenmerkt door zenuwverval, zoals MS, de ziekte van Parkinson, ziekte van Alzheimer
Neurotransmitters
Een stof vrijgegeven van het ene neuron naar het andere en dat via een synaps passeert om een doelcel te stimuleren of af te remmen.
Nucleïnezuur
Algemene term voor DNA of RNA. Nucleïnezuren zijn samengesteld uit herhaalde eenheden om lange ketens te vormen zoals de dubbele helixstructuur van DNA.
Nystagmus
Een onwillekeurige, snelle, ritmische beweging van de oogbal.


O

Oedeem
Zwelling door de aanwezigheid van abnormaal grote hoeveelheden vloeistof.
Oligoklonale banden
Verschillende antilichamen worden gezien als verschillende bandjes wanneer ze onderworpen worden aan elektroforese. Wanneer bij MS een patiënt zijn hersen/ruggenmergvocht verhoogde niveaus van antilichamen bevat, kan electroforese de diagnose vergemakkelijken. Echter, niet alle MS-patiënten hebben oligoklonale banden en de aanwezigheid van zulke bandjes is niet specifiek voor MS.


P

Paraklinisch
Buiten de klinische omgeving, niet in de praktijk van de arts. Paraklinische tests kunnen in een labo uitgevoerd worden (vb. bloedtest) of met speciale instrumenten (vb. radiografie of MRI-scan).
Parese
Lichte of onvolledige verlamming.
Paroxysmaal
In aanvallen optredend.
Pathofysiologie
Kennis en studie van de fysiologie (levensverrichtingen) van het zieke orgaan en organisme.
Pathogeen
Elk ziekte veroorzakend micro-organisme.
Pathologie
Ziekteleer
Penetratie
Het aandeel van individuen met een specifieke set van genen (genotype) die een bepaalde eigenschap in het fenotype uitdrukken.
Placebo
Een inactieve stof die als controle gegeven wordt bij het testen van een nieuw geneesmiddel. Het wordt op dezelfde manier en in dezelfde vorm gegeven als het actieve geneesmiddel.
Plaque
Gebied met littekenweefsel in de hersenen of het ruggenmerg, ook wel lesie genoemd.
Pneumonie
Longontsteking
Polygeen
Het aantal mensen met de ziekte op een bepaald tijdstip. Gewoonlijk uitgedrukt in aantallen per 100.000.
Prevalentie
Een grote molecule samengesteld uit aminozuren
Primair progressieve MS
Mensen met deze vorm van MS ervaren meestal geen onderscheidbare terugvallen, remissies of herstel, maar worden geleidelijk aan meer en meer gehandicapt. Deze vorm van MS komt veel voor bij mensen die de ziekte ontwikkelen na de leeftijd van 40 jaar (ongeveer 25% van alle MS-patiënten).
Proteïne
Een grote molecule samengesteld uit aminozuren
Proton
Deeltje uit de kern van een atoom, dat positief geladen is en dezelfde ladingsgrootte heeft als een negatief elektron. Het proton is de kern van een waterstofatoom.
Protondensiteitsscan
Een type MRI-scan dat de lesies in de buurt van ventrikels duidelijker afbeeldt.
Psychose
Een algemene term om naar mentale storingen te verwijzen waarbij het geestelijk functioneren zodanig verstoord is dat de patiënt niet meer in staat is aan de gewone vragen van het alledaagse te voldoen.


R

Receptor
Een moleculaire structuur in of op het oppervlak van een cel dat selectief bindt aan een specifieke stof wat resulteert in een specifiek fysiologisch effect.
Recombinant
Afgeleid van twee verschillende bronnen. Recombinante eiwitten worden gemaakt met DNA uit twee verschillende organismen, via genetic engineering (het in vitro koppelen van genetisch materiaal), niet via traditionele kruising.
Relapsing-remitting MS
Een van de vier types MS (goedaardig, primair progressief, secundair progressief), gekarakteriseerd door relapses gevolgd door periodes van remissie met volledig of bijna volledig herstel. De algemene handicap neemt geleidelijk toe met de tijd.
Renaal
Betreffende de nier.
Restrictie endonuclease
Een groep enzymen uit bacteriën die specifiek sequenties van basen in het DNA herkennen en telkens in die sequentie knippen. Het resultaat is een serie voorspelbare DNA-fragmenten.
Retrobulbaire neuritis
Ontsteking achter de oogbal.
Reverse transcriptase
Een viraal enzyme dat de normale richting van informatie-overdracht kan omkeren. Normaal wordt genetische informatie doorgegeven van DNA naar RNA, maar het reverse transcriptase maakt DNA aan op basis van RNA.
Ribonucleïnezuur (RNA)
Een enkelstrengig nucleïnezuur dat de suikermolecule ribose bevat. RNA is verantwoordelijk voor de overdracht van genetische informatie van DNA in de kern naar de ribosomen in het cytoplasma, waar het gebruikt wordt als instructie voor het maken van eiwitten.
Ribosoom
Een element uit het cytoplasma dat RNA en eiwitten bevat; de plaats waar eiwitten worden aangemaakt.
Rizotomie
Doorsnijding van de wortels van de ruggenmergszenuwen


S

Sclerose
Weefselverharding. Bij MS, het vervangen van verloren myeline rond de zenuwen met littekenweefsel.
Secundair progressieve multiple sclerose
In sommige gevallen ervaren mensen met een relapsing-remitting vorm van MS dat de symptomen die ze ervaren vergeren. Dit is dan ofwel te wijten aan steeds erger wordende overblijvende symptomen na elke aanval, of dat het relapsing-remitting patroon vervangen wordt door een progressief patroon.
Sensorisch
Verwant met prikkels zoals pijn, smaak, tast, temperatuur, zien, horen.
Spasticiteit
Het verlies van normale elasticiteit in de spieren van de benen en/of armen tengevolge van ziekte in het centrale zenuwstelsel. Het resulteert vaak in extreme stijfheid van de spieren.
Symptoom
Een subjectief ervaren probleem of klacht van een patiënt. Bij multiple sclerose zijn dit vaak gezichtsproblemen, vermoeidheid, veranderingen van zintuiglijke waarneming, zwakheid of verlamming van ledematen, beven, gebrek aan coördinatie, moeite met evenwicht, problemen met blaas of ingewanden en psychologische veranderingen.


T

T1-gewogen scan
Een type MRI-scan waarbij oude lesies makkelijker kunnen opgespoord worden. Wanneer een contrastmiddel gebruikt wordt, kunnen nieuwe lesies ook zichtbaar worden gemaakt.
T2-gewogen scan
Een type MRI-scan waarbij alle lesies getoond worden, zowel oude als nieuwe en vaak gebruikt bij de diagnose van MS. Gebieden met een hoog watergehalte (bijv. MS-lesies, met vloeistof gevulde holtes) geven een sterk en helder signaal.
T-cel
Een klasse lymfocyten, hoofdzakelijk betrokken bij de controle van celgemedieerde afweerreacties en bij de controle van B-cel ontwikkeling. De T-cellen coördineren het immuunsysteem door het afscheiden van lymfokines.
Tetanie
Overprikkelbaarheid van zenuwen en spieren gekenmerkt door korte spiercontracties en krampen.
Transcriptie
Het proces waarbij genetische informatie overgeschreven wordt van DNA naar RNA .
Transfectie
Het proces van het overzetten van DNA van de ene cel in de andere cel. De beide cellen kunnen van verschillende soorten afkomstig zijn.
Translatie
De omzetting van een gecodeerd bericht in RNA (code voor een eiwit) naar het eiwit zelf.
Tumor necrosis factor
Een cytokine geactiveerd door T-cellen, dat hoofdzakelijk tumorcellen afdoodt.


V

Vasodilatie
Uitzetting van bloedvaten om een betere bloeddoorstroming te krijgen.
Ventrikels
Holtes in de hersenen, gevuld met hersen/ruggenmergvocht
Venula
Een klein adertje.
Virus
Een klein infectieus deeltje dat DNA of RNA bevat in een beschermende eiwitmantel.
Voorste hersenen
Het grootste deel van de hersenen: omvat de grote hersenen (cerebrum), het limbische systeem, de thalamus, het diencephalon en de hypothalamus en het corpus callosum. De functies van de voorste hersenen omvatten cognitieve, sensorische en motorische functies en controleren temperatuur, voortplantingsfuncties, eten, slapen en het tonen van emoties.


W

Witte stof
Deel van de hersenen en het ruggenmerg, opgebouwd uit zenuwvezels.