MS en slaapstoornissen
Pleidooi voor een aangepaste en vroegtijdige aanpak
Het is al langer geweten dat mensen met MS veel meer dan de gemiddelde bevolking last hebben van slaapstoornissen. Tal van artikels tonen aan hoe MS-patiënten met zowat alle soorten slaapproblemen te kampen krijgen, van de veeleer klassieke slapeloosheid tot extreme slaperigheid overdag, vaak nog in combinatie met andere problemen zoals apnee, het restless legs-syndroom (rusteloze benen) enzomeer.
Twee studies, uitgevoerd in een slaaplaboratorium, hebben aangetoond dat het slaappatroon bij mensen met MS grondig verstoord is. Zo zijn er veel meer episodes van nachtelijk ontwaken, en liggen ze langer wakker voor het inslapen, waardoor het « rendement » van de slaap uiteraard veel lager is dan bij gezonde mensen.
Hoewel deze slaapstoornissen vrij typisch lijken voor MS, is de frequentie ervan nog niet goed geëvalueerd. Meer onderzoek is ook nodig naar mogelijke interferenties tussen veel voorkomende MS-klachten en de kwaliteit van de slaap, zoals pijn, spasticiteit, blaasproblemen, nevenwerkingen van geneesmiddelen, humeurschommelingen, comorbiditeit…
Een Italiaanse wetenschapsploeg (G Merlino et al. Sleep Med 2009; 10: 26-34) onderzocht recent 120 mensen met MS, waarbij 3 grote objectieven werden vooropgesteld:
- meer inzicht krijgen in de frequentie van de slaapstoornissen;
- de factoren isoleren die de kwaliteit van de slaap beïnvloeden;
- de eventuele relatie nagaan tussen de kwaliteit van de slaap en de levenskwaliteit.
Dit onderzoek bevestigt dat slaapproblemen bij MS zeer vaak voorkomen: bijna één persoon op 2 in de onderzoeksgroep (47,5 %) kon op basis van de PSQI (Pittsburgh Sleep Quality Index) als « slechte slaper » gecatalogeerd worden. De PSQI is een vragenlijst die patiënten zelf invullen en die 19 vragen omvat over 7 domeinen die verband houden met de slaap. Bij een score hoger dan 5 kan de testpersoon als « slechte slaper » worden beschouwd.
Opvallend is ook dat de slechte slapers een hogere graad van handicap vertonen (merkelijk hogere score op de EDSS-schaal), dat ze méér comorbiditeiten hebben en méér pijnklachten die verband houden met MS, dan de goede slapers (met PSQI-score ≤ 5).
Maar het meest interessante resultaat van dit onderzoek is misschien wel dat een duidelijk verband kon worden aangetoond tussen slaapproblemen en levenskwaliteit. Het feit dat men een slechte slaper is, kan als een predictieve factor worden beschouwd, onafhankelijk van de huidige levenskwaliteit. Deze vaststelling biedt een sterk argument om werk te maken van een vroegtijdige en agressieve aanpak van slaapproblemen, zodat de levenskwaliteit niet nodeloos wordt aangetast.
In het edito dat bij de studie gepubliceerd werd (H Attarian. Sleep Med 2009; 10: 7-8) kunnen we dit lezen: « Een goede slaap zal MS niet genezen en ook niets veranderen aan de neurologische problemen. Maar het kan wel helpen om beter weerstand te bieden tegen de ziekte en het verhoogt de kans op een rijk en kwaliteitsvol leven ». We hadden het niet beter kunnen zeggen!
Dr Jean-Claude Lemaire



