Wat is MRI en hoe werkt het?
Water is absoluut noodzakelijk voor MRI
MRI werkt omdat de belangrijkste bouwsteen van het menselijk lichaam water is – zo’n 75%. Een molecule water (H2O) is samengesteld uit twee waterstofatomen (H) en één zuurstofatoom (O). De kern (nucleus) van elke waterstofatoom bestaat uit een enkel proton. Onder normale omstandigheden draaien deze protonen voortdurend rond (spinning), waardoor ze door een klein magnetisch veld omgeven worden.
Normaal is dit intrinsieke magnetische veld willekeurig georiënteerd (het heeft dus geen algemene richting). Door een persoon in een MRI scanner te leggen, eigenlijk een enorme magneet, worden de protonen in hun lichaam ofwel in gelijke ofwel in tegengestelde richting uitgelijnd met het sterke magnetische veld van de scanner.
MRI gebruikt radiogolven
Om een beeld te maken worden korte pulsen van radiogolven op het te onderzoeken gebied gericht via een speciale antenne (een inductiespoel). Dit slaat de protonen uit evenwicht, waardoor ze hun oriëntatie omdraaien.
Het watergehalte verschilt bij gezond en beschadigd weefsel
De intensiteit van het MR-signaal van een bepaald weefsel houdt verband met de dichtheid van protonen in dit weefsel, en dus met het watergehalte ervan. Hoe meer water een weefsel bevat, hoe sterker het MR-signaal en hoe beter het resulterende beeld. Verschillende weefsels bevatten verschillende hoeveelheden water, en verziekt of beschadigd weefsel bevat gewoonlijk meer water dan gezond weefsel. Bij MS wordt vooral gekeken naar de hersenen en het ruggemerg (het centrale zenuwsysteem, CZS). Lesies in het CZS hebben een grotere waterinhoud dan normaal.



